Text in Dutch - Artidomus

Go to content

Main menu:

ABOUT ME
“Alles van waarde is weerloos.” (2016)
Auteur: Heinz Brüderle 
Voor boek: “Luctor et Emergo"
 
Kenmerkend voor de visie en levenshouding van Walther Smeitink-Mühlbacher is dat hij zich volledig dienstbaar stelt aan alle expressieve uitingen die voortvloeien uit de functie, inhoud en uitdrukking van zijn beeldende werk. Men ziet in zijn werkwijze duidelijk twee tendensen: een vooropgezet intellectuele aandrang en een rein creatief/onbewuste neiging. Beide karakteristieke hoedanigheden worden gekenmerkt door zijn passie, toewijding en instinctief handelen. Als golven van verlangens die de dramatiek van het leven proberen te visualiseren. 
Al op jonge leeftijd besloot hij zich letterlijk af te sluiten van alle kunstcircuits door op plekken ver van de dicht bewoonde steden zijn ateliers te kiezen. Hij werkte lange tijd in Rijswijk in de Betuwe (NL), Groesbeek-Wyler (NL), Wilhering (A) en tegenwoordig in de Watertoren in Wolfheze (NL) en Příštpo in Moravië (CZ). In volledige afzondering werkt hij solitair in absolute stilte gepassioneerd en geduldig aan zijn oeuvre. Hij probeert abrupte veranderingen, vaak veroorzaakt door ongewilde invloeden van buitenaf, te vermijden. Al in zijn prille jeugd werd hem door zijn vader een gedisciplineerde arbeidsmoraal bijgebracht waarvoor hij nu nog zeer dankbaar is.  
 
“Zowel in de moraal als in de kunst is praten niets, doen alles” (Joseph E. Renan) want in de praktijk kost het menig kunstenaar veel tijd, onderzoek en moeite om zich zijn bekwaamheden te verwerven die buitenstaanders vaak toedichten aan natuurlijk talent. In de stilte en geborgenheid van zijn ateliers kan hij verbondenheid voelen met zijn verleden, het heden en datgene wat hem mogelijk nog te wachten zal staat. Door zich permanent in deze moeilijke positie te manoeuvreren kan hij zijn creatieproces gestaag continueren zonder dit contact met zichzelf en zijn eigen werkelijkheid te verliezen. 
Hij poogt echter niets meer en niets minder dan ons een inkijkje te geven in de diepere, vaak mystieke, kanten van de materie om ons hiermee naar een nieuwe beleving ons bestaan te voeren. Het verschil tussen de waarneembare werkelijkheid en zijn abstracte werk is vaak zo groot dat hij bij veel beschouwers twijfel bespeurd; waarmee de vraag rijst of hij wel zal slagen in zijn missie?  
 
……… het maagdelijk witte doek moet ‘bevlekt’ worden maar deze daad is een gevecht vol van vertwijfeling, onzekerheid en innerlijke verscheurdheid en zal steeds leiden tot de eerste onvermijdelijke schilderkundige handeling. In de dialoog met de zelfgenaaide ondergronden, materies, kleuren in subtiele nuances en de lichtinval ontstaat een wisselvallige dualiteit maar ook een homogeen dynamische geheel. De werking van licht is al opgenomen in de eerste laag van het doek en wordt laag naar laag ingebed in de textuur van de materie. De opeenvolgend zorgvuldig aangebrachte lagen van materie, vernis en verf en worden gedurende het proces geërodeerd met chemicaliën, geschuurd, ingekrast, geïmpregneerd en afgepeld. Hij legt de onderliggende lagen deels bloot en laat ons in het ongewisse of hij hier fragmenten uit het verleden bloot wil geven of een inkijkje in wat nog verborgen voor ons ligt. De huid van het schilderij is altijd broos en gekwetst en de reliëfs en texturen stralen –zonder dat zij direct hun betekenis willen verraden- pure eigenheid uit. Zijn materies zijn vaak zelf samengesteld en worden volledig getransformeerd tot ‘oersoep’ en geheel ontdaan van hun oorspronkelijke eigenheid, zodat de materie haar nieuwe bestemming krijgt. Hij wil op de meest pure wijze zijn gedachten visualiseren en ons een tors van esthetische schoonheid aanreiken.  
Deze complexe innerlijke zoektocht naar de densiteit van de materie is een zoektocht naar de eigen taal van de materie en waarbij hij niets aan het toeval overlaat. Zijn werken zijn het resultaat van een geduldige zoektocht naar het samensmelten van contrasterende elementen. Elke beweging, kras, receptuur van de materie en verflaag komen voort uit zijn innerlijke drang de zintuiglijke rijkdom van het schilderij tot een eenheid samen te laten smelten. Dit proces leidde tot een eigen picturale taal en een extreme reducering van beeldmiddelen. Zijn iconografie beperkt zich vanaf het prille begin van zijn kunstenaarschap tot heldere geometrische vormen zoals rechthoek, vierkant, cirkel, ster, kruis en een aantal eigen gecreëerde gestileerde vormen. Allen zijn geëvolueerd tot herkenbare zeggingskracht waarin uit de onderlagen fragmenten omhoog borrelen die samen hun ontstaansgeschiedenis vertellen. Hij schildert soberheid, afwezigheid, leegte en stilte maar ook vanuit een diepgewortelde hang om ons een inkijkje, een bevroren momentje, in zijn leven te geven. 
 
De oneindige verscheidenheid van composities die hem ter beschikking staan evolueerde in de laatste jaren opnieuw naar een geometrische ordening van herkenbare vormen. Echter nu vanuit de gedachte dat de over- gestructureerde samenleving een plek binnen zijn werk verdient. 
Permanent keren erosie en ontbinding als beeldbepalende elementen terug welke doorgaans op weinig positieve bijval kunnen rekenen. In een tijd dat ‘mooi’ en ‘goede smaak’ meer bepaald worden door de actuele mening van de meerderheid veelal gepropagandeerd door de overweldigende kracht van de media. Zijn leven en werk mogen dan ook gezien worden als een lichte ‘waarschuwing’ dat wij aan een nieuwe vorm van bezinning toe zijn en dat wij niet ongemerkt afglijden in een tijdperk van egoïsme, verval, tegenspoed en onthechting. 
Tijdens het creatieproces gaan schilderen en denken over schilderen broederlijk hand in hand. Het lijkt of het schilderij hierdoor nooit zijn doel of eindpunt zal bereiken en altijd verwikkeld blijft in zijn eigen strijd tot veranderen. Het doel is zijn schilderkunst te herleiden tot de oervorm en te streven naar een dialoog tussen de kunstenaar en beschouwer maar zonder de wens in de smaak te vallen bij een groot publiek. De materie –in letterlijke zin- is de beeldende vertaling van de spiritualiteit van de materie zelf, de gesproken taal schiet hierin altijd tekort.  
Het materiaal biedt ingang tot de materie, in de materie ligt het materiaal besloten: materie en materiaal zijn één. 


“Walther’s Werk” (2016)
Auteur: Piet Span
Voor catalogus: “Labyrinten van het Leven”
 
Het is al weer decennia geleden dat Walther en ik mijmerden over het reizen door zijn werk. Wij stelden onszelf voor dat zijn schilderijen horizontaal toegankelijk zouden zijn; als een portaal naar een nieuwe wereld. Achter elk beeld doemde een nieuw vergezicht op met een lonkende horizon.
Het lokkende karakter van het onbekende immers wakkerde nieuwsgierigheid aan, stimuleerde het voorstellingsvermogen en maakte de reiziger gretiger.
Walther’s werk leent zich bij uitstek voor speelse gedachten, overpeinzingen en innerlijke beschouwing maar biedt ook rust en geestelijke ruimte. In elke veeg materie schuilt bovendien een geheim die, in de door hem bedachte composities kan worden prijsgegeven!
De kunstenaar kneedt en modelleert geheimen die zichtbaar worden mits deze vanuit de juiste emotie worden beschouwd. Een menselijke maat die weliswaar gekaderd wordt weerkaatst maar als werelds portaal deze begrenzing laat verdwijnen.
Zijn oeuvre herbergt voor elke emotie een katalysator, biedt elke beschouwer nieuwe perspectieven en schenkt dan bij elke lichtstraal een nieuw kleurenpalet. Hij is geen kunstschilder maar een magiër in materie. Met zijn betoverende elementen creëert hij onlosmakelijke verbindingen en beschouwers krijgen een intieme relatie met zijn werk.
Het Werk van Walther laat zich overigens niet bezitten maar staat gebruik toe, bescheiden als een schilderij, verrassend als spiegel van de seizoenen of als repoussoir  van de ziel.
De wonderlijke portalen van de magiër Walther bestaan slechts bij de gratie van de altruïstische mens Walther, die zijn ziel toont via zijn werk en elke beschouwer in de gelegenheid stelt hiervan gebruik te maken. Het is wenselijk om achter elke voordeur een portaal van hem te hangen en de werkende krachten te laten kennismaken met die nieuwe wereld.
Gelukkig ligt er nu deze catalogus en hoewel deze slechts een impressie geeft van zijn werk gedurende een beperkte periode, biedt de opgenomen collectie voldoende overzicht en nodigt uit tot verder kijken. Het voordeel van deze gepresenteerde miniatuur portalen openbaart zich bij het openslaan van dit drukwerk; de beschouwer maakt kennis met Walther’s Werk in het horizontale vlak. Bon Voyage!
Dankbaar maak ik er dagelijks gebruik van.


“Wonderlijk tastbare emotie” (2002)
Auteur: W.T. Turmond
Voor boek: “Wonderlijk tastbare emotie”
 
Smeitink-Mühlbacher staat met twee benen stevig op de grond en benadert zijn artistieke functioneren met een ogenschijnlijke boerennuchterheid.
De dagelijkse werkelijkheid waarin wij allen leven vormt voor hem steeds het vertrekpunt voor zijn expressie maar vertaalt zich geenszins in zijn werk door herkenbare vormentaal welke voor ons deze werkelijkheid weerspiegelen of symboliseren.
Hij lijkt zich meer en meer gedwongen te voelen zijn eigen identiteit en functioneren aan de orde te stellen en zich nog steeds niet open te stellen voor de ontwikkelingen binnen de beeldende kunst.
 
“……zijn beperkte armreikwijdte en vingerspreiding…….”
Bij aanvang van een nieuwe cyclus schilderijen verwacht Smeitink-Mühlbacher dat hem niets dan nieuws te wachten staat, maar hij moet zich toch steeds weer neerleggen bij de constatering dat het vertrekpunt gevoed wordt door zijn laatst gemaakte cyclus, ondanks dat er soms enkele maanden sprake kan zijn geweest van een rustperiode. Het is als het ware een domino-effect: de finish van zijn laatste reeks is de start van de volgende.
Iedere stap in het proces is een zoektocht in de toekomst en moet wat nieuws opleveren daar een herhaling van zetten niets toevoegt. Binnen een nieuwe cyclus van schilderijen fungeert ieder afzonderlijk schilderij als spiegel en referentiekader voor de rest. Zo geven zij gezamenlijk richting, vorm en inhoud aan elkaar.
De werkwijze van Smeitink-Mühlbacher golft, middels streng gecontroleerde motorische handelingen, als het ware uit zijn binnenste op het doek. De schilderijen zijn zeer zorgvuldig in meerdere lagen opgebouwd waardoor de materialen, processen van verandering en hun onderlinge werking op elkaar de kans krijgen eng met elkaar verweven te raken.
In het werk van Smeitink-Mühlbacher is sprake van meer dan enkel kennis, techniek, routine en materiaalbeheersing. Hij grijpt niet in het materiaal in door vooraf rekening te houden met de specifieke materiaaleigenschappen, die voor hem vaak tot een beperking van handelen leiden, maar benadert zijn materialen op een eigen intuïtieve wijze.
Door (mede) gebruik te maken van zijn beperkte armreikwijdte en vingerspreiding ontstaat een directe relatie en omhelzing met zijn schilderijen en materialen.
Voor hem heeft ieder materiaal, elk door hem zelf samengesteld, een eigen karakter gekregen dat vrijelijk een worsteling met hem en de andere materialen aan mag gaan. Smeitink-Mühlbacher gaat door zijn creatieproces als het ware een dialoog met zijn werk aan, waarbij hij zijn eigen gecreëerde materiele karakters een sleutelrol toebedeeld heeft. Daarnaast geeft Smeitink-Mühlbacher ook zichzelf de ruimte en tijd om door onderzoek en waarneming van zijn materialen en het toegenomen materiaalbewustzijn zijn verhaal beter te vertellen. Hij leeft als het ware met het proces van totstandkoming.
Dat niet alles voorspelbaar is, blijkt regelmatig als er na minuten, uren, dagen of soms weken van droging  processen van mutatie optreden die niet geheel te voorzien en te beïnvloeden waren. Het ontstaan van spontane barsten, krimpingen en oxidekleuren, die door de ons omringende natuurkrachten opgeroepen worden, blijken de ruimte te hebben gekregen op zijn werk hun eigen karakteristieke invloed uit te oefenen en zo de uitdrukkingskracht mede te bepalen.
Tijdens en na iedere droogfase begint Smeitink-Mühlbacher opnieuw met het aftasten van ieder detail van het werk. Door poetsen, krassen, slijpen, kerven en manuele ingrepen ontstaat geleidelijk een zorgvuldig opgebouwde gelaagdheid in de textuur van het werk die, kijkend onder verschillende invalshoeken, een andere nuance zichtbaar maken.
De kijker kan dit goed waarnemen door de natuurlijke lichtval op zijn schilderijen vanuit verschillende invalshoeken te bekijken.
 
Bewust wordt iedere vorm van ornamentiek en opsmuk vermeden…..
De beeldtaal waarmee hij zijn basale emoties presenteert bestaat uit een breed scala van vaag herkenbare, vaak aangetaste, geometrische elementen met ingetogen aardse kleuren.
Door hun onderlinge rangschikking en de neiging het doek te willen verlaten, sluiten zij het werk niet af maar weten juist een ruimtelijke werking te creëren, die zelfs in de kleinere formaten stand weet te houden. Dit wordt mede versterkt doordat hij altijd de randen van het schilderij deel uit laat maken van het geheel.
De geometrische vormen worden de laatste jaren meer in het geheel opgenomen maar blijven zich toch nadrukkelijk manifesteren.
Een direct waarneembare voor- en achtergrond in het werk wordt vermeden, daar de transparante samenstelling van de lagen een beweging suggereert, die het geheel doet samensmelten.
In recenter werk is de ondergrond ogenschijnlijk gladder maar ook gelaagder geworden en geeft het werk meer diepte doch  minder contrast. De opbouw in lagen blijft zichtbaar maar de wijze waarop het werk technisch tot stand gekomen is is “onleesbaar” omdat een penseelstreek of paletmesafdruk nagenoeg ontbreekt.
Bewust wordt iedere vorm van ornamentiek en opsmuk vermeden en afgewezen daar Smeitink-Mühlbacher  niet de technische mogelijkheden van de materialen uitbuit maar vooral hun onderlinge werking en invloeden op elkaar de vrije ruimte geeft. De optische ruimtelijkheid en de stoffelijke ruimtelijkheid van de gebruikte materialen zijn mede de dragers van  zijn “verhaal”.
In de vaak verticale doeken wordt de blik van de kijker in opwaartse richting gedwongen waarmee de monumentale werking versterkt wordt.
Vele van zijn recente werken concurreren als het ware ook met de menselijke maat zonder de behoefte te hebben de kijker aan te willen vallen.
 
Is het de bedoeling het schilderij of jezelf te ontrafelen?
Het individu heeft bij de beschouwing van zijn kunst een drang het waargenomen beeld in een voor hem/haar veilig en haast tastbaar kader te plaatsen.
Zij wordt hierin vaak geholpen door een leger van kunstcritici en conservatoren die gemakshalve het werk van Smeitink-Mühlbacher bestempelen als behorende bij de stroming van de materieschilderkunst. Deze ogenschijnlijk eenvoudige handreiking voor de kijker kan hem “helpen”, maar ook leiden tot generalisering, stigmatisering of “dat heb ik al eens eerder ergens gezien”.
Binnen dit kader voeren vastomlijnde en bijna “voorgeschreven” waarden en normen de boventoon en sturen onze  waarneming voor het grootste gedeelte aan.
Deze analytische en lineaire denkstructuur zoekt bijna automatisch naar een “kop en staart” waaraan men houvast kan hebben. Veelal wordt dit zichtbaar doordat men naarstig zoekt naar de naam van de kunstenaar en de titel van het betreffende werk.
Smeitink-Mühlbacher weet deze ziens- en denkwijze enerzijds te onderstrepen en anderzijds te doorkruisen door zijn werken niet aan de voorzijde te signeren en titels achterwege te laten.
Hiermee opent hij de weg om zijn werk vrij te ervaren en op basis van eigen emoties op innerlijke zoektocht te gaan. Zoals het leven zelf een proces is, dat door onverwachte gebeurtenissen op losse schroeven kan komen te staan, is ook iedere confrontatie met zijn werk hier een voortvloeisel van.
 
Het werk van Smeitink-Mühlbacher is een wonderlijk stukje tastbare werkelijkheid.
Bijna onbewust schrijven wij een schilderij toe,  een mystieke boodschap te hebben, welke door ons gezocht, onsloten en gedefinieerd dient te worden.
Het is ongetwijfeld de bedoeling van Smeitink-Mühlbacher de kijker een directe toegang tot de betekenis van zijn werk te bemoeilijken om zo de persoonlijke associaties van de kijker meer ruimte te bieden. De zo ontstane spanning tussen waarneming en emoties geeft de kijker stof tot nadenken en ontlokt hiermee altijd een reactie. Is het de bedoeling het schilderij of jezelf te ontrafelen?
Probeert Smeitink-Mühlbacher zijn eigen grenzen te onderzoeken of doet de kijker dit bij zichzelf? In de wil, het werk van Smeitink-Mühlbacher te ontrafelen moet de kijker kennelijk aan zijn eigen grens van het menselijk vermogen stoten, om er een persoonlijke betekenis aan te verlenen. Juist deze ruimte die zijn werk ons biedt, creëert nieuwe mogelijkheden de dagelijkse werkelijkheid en de positie waarin wij ons bevinden hernieuwd te bepalen. Zolang wij enkel vertrouwen op de ons aangeleerde taal en algemeen geldende waarden en normen, veelal gepropageerd door de immer aanwezige invloeden van de media, zal het werk van Smeitink-Mühlbacher een mysterie voor ons blijven.
De wijze waarop wij zijn werk willen en kunnen begrijpen is strikt persoonlijk en niet toetsbaar of meetbaar aan waarnemingen en conclusies van anderen.
 
Ik sluit af met een uitspraak van Mark Rothko waarin Smeitink-Mühlbacher zich goed kan vinden: “Ik ben niet primair geïnteresseerd in de relatie tussen kleur en vorm of wat dan ook. Ik ben alleen geïnteresseerd in basale menselijke emoties. De mensen die om mijn schilderijen huilen hebben dezelfde religieuze ervaring als ik ze had toen ik ze schilderde.”


“Lofzang op de materie met een boodschap” (2004)
Auteur: Antonie den Ridder
Voor: Dagblad De Gelderlander 21 mei 2004
 
Raakt u in vervoering van een stuk geërodeerd metaal en wordt het u week om het hart bij het zien van welvingen van verfrommeld lood? Dan bent u liefhebben van de zogeheten materiekunst. Kunstvorm waarin het materiaal niet slechts de verpakking, maar een relevant onderdeel van de boodschap en inhoud van het kunstwerk is. Kwaadwilligen plegen dit nogal eens af te doen als een ingewikkelde vorm van fetisjisme, maar daar hoeven we ons niets van aan te trekken. Walther Smeitink-Mühlbacher heeft reeds eerder werk tentoongesteld in Museum De Casteelse Poort te Wageningen en is dus ‘op herhaling’. Zijn werken zijn in de tussentijd niet radicaal, maar ook dat is een bekend verschijnsel in de kunst, die de materie centraal stelt. De processen van aantasting en verval, die op zich de factor tijd in zichzelf besloten houden, ontkennen tevens de tijd door hun wetmatig herhalen.
En in het geval van Smeitink- Mühlbacher en zijn samengestelde schilderijen heeft de techniek ook een definitieve vorm gevonden. Toch is juist het verschil in benadering van laatstgenoemde kunstenaar en mede-exposant Stefan Wolters verantwoordelijk te stellen voor de spanning en schoonheidservaring, die de tentoonstelling domineert. De gezamenlijke presentatie drijft de individuele benaderingen nog verder uiteen. En we zien dat de sereniteit van het grondobject va Stefan Wolters op de spits gedreven wordt en een intern contrast vormt met de duistere barokke zeggingskracht van collega Smeitink- Mühlbacher.Een absolute beauty is ook materie met nummer 13, een warme roodgouden ondergrond, bespannen met en vijftal horizontale koperkleurige draden, die hun schaduw werpen op de achtergrond. Wolters benut uiterst effectief het ‘beredeneerde toeval’zoals hij zijn aanpak omschrijft. En zijn werken laten weinig twijfel bestaan, dat de doelgerichtheid het toeval naar de hand zet, want uiterst trefzeker weet hij in vele gevallen met minimale middelen een ingetogen schoonheid op te roepen. Smeitink- Mühlbacher omarmt daarentegen de complexiteit met een veelheid aan structuren, die heftige contrasten vormen in de verfhuid.
Of de werken daarmee een bijna religieuze lading verwerven, zoals de vele boekwerken over zijn werk op de tentoonstelling suggereren, zou en onafhankelijke kunstbeschouwer misschien het beste in het midden moeten laten.Tweeënhalve dimensies is een tentoonstellingstitel die de lading dekt en al met al een tentoonstelling is die je gezien moet hebben.


”Het lijden van de materie” (2003)
Geschreven door: Mgr. Ing. Ivo Binder
Voor catalogus: “Het lijden van de materie” 2003
 
“Door een bepaalde, door mij gekozen manier, wil ik de kijker iets laten zien, maar tegelijkertijd ook iets verborgen houden” W. Smeitink-Mühlbacher.
 
De expositie van het werk van de Nederlandse kunstenaar Walther Smeitink in Moravië heeft een eigen diepe innerlijke logica. Al meer dan vijftien jaar heeft hij regelmatige contacten met het Boheemse en Moravische milieu. Hij heeft hier veel vrienden gevonden en dat niet alleen in kunstenaarskringen. Zijn werk heeft hier ook tal van verzamelaars en galeriehouders aangesproken. Dat is niet alleen het gevolg van zijn hartelijk en open karakter. Dat zijn werk de Tsjechische toeschouwer aanspreekt vindt zijn diepe oorzaak, geworteld in de eigenlijke grondslag van zijn werken. En dat ondanks de belemmeringen, die de politieke machtsverhoudingen hebben veroorzaakt, en ook ondanks de geografische afstand.
 
Een tak van zijn voorouders stamt uit Wilhering in Opper-Oostenrijk, het gebied dat met ons land gedurende lange jaren een gemeenschappelijk lot heeft gedeeld. Het karakter van zijn werk, ook al draagt dat de kernmerken van het postmodernisme, heeft ook raakvlakken met het Tsjechische artistieke milieu, waarin het gebruikmaken van de structuur van de materie en van de toegepaste materialen zo’n belangrijke rol gespeeld heeft. Het schilderwerk van Smeitink bijvoorbeeld weerklinkt op een belangwekkende wijze in het latere werk van Vojta Nolč, afkomstig uit Linz (1912-1989), lid van de groep Mei 57. Maar ook in zijn eigen generatie vond hij een gemeenschappelijke taal met tal van Tsjechische kunstenaars (Aleš Knotek, Nikos Armutidis, Vladimír Kokolia en anderen). Met enkelen van hen heeft hij een gezamenlijke expositie gehad.
Ook de “Galerie onder de bogen” in Kroměříž stelt zijn werk niet voor de eerste keer tentoon.
Hij presenteerde zich hier al in 1994 op de expositie „De vrouw door de zon gekleed“ en twee jaar later op de expositie „Oudtestamentische inspiratie“ (beide in samenwerking met het Diocesaan Museum van Brno).
 
Op het eerste gezicht verandert het werk van Smeitink niet. Maar het staat niet stil. Met stugge volharding kneedt de kunstenaar de materie van de schilder opdat deze een adequate vorm verkrijgt. In zijn schilderijen vinden wij geen ruimte of imitatie. Het is de weerspiegeling van zijn innerlijke wereld. In het begin van de negentiger jaren is op zijn doeken nog de suggestie van figuren te zien. Grotendeels zijn dat posturen die de geestelijke boodschap van de geschiedenis van het christendom symboliseren. Zij ontspruiten vanuit de lagen van de verf van de schilder als ware het ikonen die blootgelegd zijn door de spatel van restaurateur onder latere overschilderingen. In de volgende periode verdwijnt de figurale thematiek geheel en steeds vaker verschijnen op de doeken geometische vormen. Echter niet in de exacte vorm, maar eerder als algemeen geldende tekens en symbolen. Daaronder nemen zeshoeken een bijzondere plaats in, die als het ware in het onderbewustzijn van de toeschouwer de eigenschappen van een vierkant en een cirkel, dus van de perfectie en de afbakening, ineen doen vloeien. Deze vorm heeft Smeitink in een serie schilderijen vanaf de helft van de negentiger jaren gestalte gegeven. Schilderijen van het zeshoekige formaat heeft hij vervolgens geïnstalleerd in min of meer vaste combinaties, die onbewust het beeld van een honingraat oproepen, met al zijn symbolische connotaties. Naast deze, vooral rechthoekige vormen, gebruikt hij ook nieuwe vormen, die veelal doen denken aan vroeg-christelijke en voorchristelijke tekens en symbolen. Op sommige doeken nemen wij invloeden van chinese en japanse kalligrafie waar.
 
Deze verschijningsvormen mogen niet als „syncretisme“ gezien worden. Walther Smeitink ontwikkelt daarmee zijn eigen mythe, waarmee hij tracht in de basale geheimen van het leven door te dringen en deze te begrijpen. Sommige gebruikte elementen hebben tot een bepaalde mate het karakter van een ornament, echter zonder diens siereffect. De compositie van de schilderijen ontstaat veelal door de onderling ontoegankelijke vlakten. Hij verbindt daarin enkele thema’s naast elkaar als pars pro toto.
Het formaat van een schilderij is een belangrijk uitdrukkingselement van Walther Smeitink. Naast de reeds genoemde hexagonale doeken worden - in uitzonderingsgevallen - ook heptagonale doeken gezien. Bij de regelmatige formaten werkt hij scherpzinnig met de verhoudingen van de zijden. Smeitink’s schilderijen ontstaan vaak in series, als veelluiken, of zij zijn vrij op te stellen in nieuwe verbindingen. Een belangrijk, helaas weinig bekend onderdeel is ook zijn werk van kleine schilderingen op karton, niet groter dan A5-formaat. Smeitink gebruikt ze als persoonlijke boodschappen, zoiets als berichten over zijn huidige bestaan, die hij aan zijn vrienden stuurt of weggeeft.
Typerend voor het werk van Walther Smeitink is de nadruk, die hij legt op de technologie. Hij heeft zijn eigen methoden ontwikkeld, die zijn doeken een onverwisselbaar karakter geven. Zijn pasteuze schilderijen ontstaan in enkele lagen. Door de onderste laag ontstaat het reliëf. Terwijl deze laag droogt, modelleert hij die met een spatel, een kam of zelfs met zijn vingers, zo vormt hij inkervingen en afdrukken. Na het droogproces brengt hij vervolgens daarop nieuwe lagen aan. Daarbij houdt hij er rekening mee dat het indrogen van de verf leidt tot krimp, tot barsten in de materie en tot oxidatie van de bovenste laag. Het geheel maakt een buitengewoon intensief haptische indruk.
 
Het kleurgebruik van de schilderijen van Smeitink is overwegend gedempt, in aardse nuances en benadert veelal de monochromie. De kleur is voor hem vooral een middel om de straling van de materie uit te drukken. Als het ware ontmoeten hierin de vier elementen elkaar: aarde, water, vuur en lucht.
Niet minder belangrijk dan de schilderijen, zij het minder omvangrijk, is het beeldhouwwerk van Smeitink. Ook daarin geeft hij ruimte voor zijn hartstochtelijke relatie met de materie en de spirituele aspecten daarvan. Hij werkt met alle plastische materialen. Vaak gebruikt hij de kleurrijke polychromie, in combinatie met gevonden en bewerkte voorwerpen. Met zijn beeldhouwwerken benadert hij postmoderne kunststroming meer dan met zijn schilderijen. Maar ook daarin blijft hij zichzelf.
Het hele werk van Smeitink laat zich karakteriseren als een dialoog met de materie in een compleet scala. Zijn benadering is niet intellectueel, hij gaat hem om de pure creativiteit. Deze beperkt zich niet alleen tot zijn eigen werk, maar strekt zich ook uit tot andere activiteiten van hem, zoals artetherapie, beeldende pedagogiek, het organiseren van exposities, activiteiten als uitgever, samenwerking met architecten en andere kunstrichtingen, waarin hij zich met groot enthousiasme stort. De activiteiten van Smeitink zijn een ontkenning van de anti-ecologische consumptiemaatschappij. Hij benadrukt de spirituele waarden van deze wereld. Dat is ook het voornaamste moto van zijn werk. De geestelijke aspecten van zijn werk dringt hij niemand op, hij drukt zich uit door middel van de sacrale waarden van de materie. Hij respecteert daarbij het geheim als een essentieel onderdeel van het leven.


“Het gaat om de materie, geld speelt voor mij geen rol”  (2002)
Auteur: Anne Salomons
Voor: Dagblad De Gelderlander 10 mei 2002
 
Huissen – De praktijkruimte van een kunstenaar is zijn atelier. Dit is het artistieke zenuwcentrum waar tekeningen, schilderijen en/of beelden voor het eerst het licht zien. Walther Smeitink-Mühlbacher heeft er zelfs twee.
In Nederland heeft hij een ruim atelier in Huissen dat twee complete klaslokalen bestrijkt en daarnaast nog een Watertoren in Wolfheze die einde van het jaar geopend gaat worden.
Wij zitten nu in zijn huissense atelier waar een wand bedekt is met rijen gigantische doeken. De kleur bruin in vele variaties overheerst. Een grote werktafel aan het raam is volkomen bedekt met verfspatten waardoor hij een merkwaardige bruinzwarte glinstering krijgt. Van een ijzeren kast druipt de door de jaren gestolde verf en trekt een spoor naar de vloer.
Beeldend kunstenaar Walther Smeitink-Mühlbacher lijkt met zijn door verf en andere materialen geplamuurde spijkerbroek verankerd in zijn atelier. Een levend canvas die de materie aantrekt alsof hij die schutkleuren nodig heeft om in zijn werk op te gaan.
Smeitink-Mühlbacher is een zogenaamde materieschilder. Dat betekent da hij zijn zelfgemaakte verven met natuurlijke vulmiddelen als zand, gemalen graniet of marmer vermengd. “Mijn kleurpalet blijft beperkt door wat de natuur produceert en de kleuren die de aarde maakt”, verduidelijkt Smeitink- Mühlbacher.
Je zou van de kunstenaar ook makkelijk kunnen zeggen dat hij met zijn beide benen stevig in de aarde staat. De warme aardkleuren van zijn materieschilderijen komen dan ook terug in zijn gloedvol betoog, waarin hij keer op keer benadrukt dat een kunstenaar voor de maatschappij niet belangrijker is van een bakker of een vuilnisman.
“Wie mij kan vertellen waarom de kunst nou zo belangrijk is moet dat mij maar uitleggen” bast hij met driftige gebaren. ”.”Laten wij het niet belangrijker maken dan dat het is. Het is vooral omdat velen er belang bij hebben om het elitaire ervan in stand te houden”.
De kunstenaar gaat hierin zelfs nog verder en roept: ‘Geld speelt geen rol’.Dat is voor hem makkelijk zeggen, zijn werk verkoopt goed en hij kan er prima van leven.
Maar waar voor menigeen dit een gemakkelijke kreet is waar je geen consequenties aan hoeft te verbinden is Smeitink- Mühlbacher wel tot actie overgegaan. Hij wil de drempel naar de beeldende kunst verlagen en is begonnen bij zichzelf. Zes jaar lang heeft hij gewerkt aan honderden kunstwerkjes die hij in verschillende categorieën heeft onderverdeeld. Al naar gelang zijn basis levensbehoeftes zoals eten, drinken, schilderen of transport. Voor een gezamenlijk ruilproject heeft hij hiervoor een tegenwaarde vastgesteld. Als tegenwaarde kunnen bijvoorbeeld schuursponsjes, vliegtickets of een treinretourtje Arnhem-Wolfheze worden ingeleverd. “Het is maar wat de gek ervoor geeft” roept de kunstenaar gekscherend.”Als iemand zegt voor dit kunstwerk twee kilogram soda over te hebben, kan het zijn dat hij het daarvoor mee mag nemen. Het is maar wat ik als kunstenaar nodig heb om te kunnen functioneren. En als dat toevallig soda is....”.
Maar Smeitink- Mühlbacher is ook opvallend serieus. Hij is er van overtuigd dat kunst er voor iedereen moet zijn. En daarom heeft hij naarstig toegewerkt naar dit ruilproject dat binnenkort in Het Vertrek, toonkamer voor kunst in Huissen gepresenteerd wordt. Kop&Munt heet het project, dat geheel en al tot stand komt door middel van ruilen. En als iemand een aantrekkelijk bod in natura doet voor een tentoongesteld materieschilderij wordt dit ook als betaalmiddel geaccepteerd. Zelf Het Vertrek, toonkamer voor kunst krijgt in plaats van de gebruikelijke commissie een deel van de ingebrachte ruilwaren Pecunia non valid. Geld speelt geen rol. Het gaat om de waarde die je er zelf aan toe kent.
De speciaal voor deze ruilactie gemaakte kunstwerkjes zijn aantrekkelijk verpakt. “Alsof het snoepjes zijn die in het snoepvak bij de kassa van de supermarkt hangen”, verklaart de kunstenaar guitig terwijl hij er eentje laat zien. “Het is nu ook door zijn presentatievorm super laagdrempelig”.
De No-nonsense houding van Smeitink- Mühlbacher is ook een van de redenen waarom hij zich vooral thuis voelt in Midden-Europa. “Ik ben in mijn ziel, mijn hart en mijn emoties absoluut niet verbonden met Nederland. De mensen hier zijn vaak erg bekrompen en veel minder gastvrij dan bijvoorbeeld in Tsjechië. Ik zie Nederland meer als mijn uitvalsbasis”.
De Kunstenaar brengt dan ook een groot deel van zijn tijd door in zijn andere atelier in Brno, Tsjechië. Hier werkt hij en doet hij inspiratie op voor zijn werk. Het atelier in Huissen, daar gaat hij waarschijnlijk binnenkort uit als de sloopplannen van de gemeente doorgaan. Jarenlang heeft hij gewerkt aan de verbouwing van zijn Watertoren in Wolfheze.
Dat wordt in september zijn nieuwe atelier, verdeelt over acht etages, op Nederlandse bodem. Handenwrijvend kan Smeitink- Mühlbacher haast niet wachten tot het zover is en hij roept verheugd: “Als het klaar is gaan de everzwijnen aan het spit en wordt het biervat aangeslagen”.
Maar de ingrediënten voor deze feestelijke dis moet de kunstenaar misschien welk eerst bij zijn ruilproject Kop&Munt zien binnen te halen.
Presentatie en ruilbeurs, vernissage Kop&Munt met kunstenaar Walther Smeitink- Mühlbacher is op zondag 16 juni 2002 om 15.00 uur in Het Vetrek, toonkamer voor kunst, Gochsestraat 12 in Huissen. Kijkdagen zijn op 13, 14 en 15 juni 2002.


"Walther Smeitink-Mühlbacher, de kunst en het circuit“ (1997)
Auteur: Marcel Chevalking
Voor dagblad: “De Gelderlander“ 24 juli 1997
 
Doetinchem - “Ik vind het Stadsmuseum een goede plek. Sfeervol, de kleuren, die oude houetn balken. Deze locatie voelt mij beter aan dan Groningen of Arnhem. Het maakt mij ook niet uit wat ze er daar van zeggen. Dat gewichtige van Het Museum mag er best eens af. Een museum moet onderdeel zijn van de samenleving, net als een kroeg waar mensen bij elkaar komen om te lullen. In het Stadsmuseum ligt de nadruk op het etnografische en minder op de beeldende kunst, maar wat dan nog. Er zijn impulsen. De ene keer is het ‘t schildersclubje van De Huet, de andere keer Walther Smeitink-Mühlbacher, prima toch.”
In het Stadsmuseum aan de grutstraat in Doetinchemm streek gisteren de schilder/beeldhouwer Walther Smeitink-Mühlbacher neer. De oud-Doetinchemmer verdient zijn brood in de kunst. Hij werk in Arnhem en zijn atelier in Tsjechië. Hij schidert zo hij zelf zegt ‘met een klein kleurpalet’, grijs en bruin zijn veel gebruikte tinten. Hij heeft tentoonstellingen in Nederland, Duitsland, Oostenrijk en Tsjechië op zij naam staan. Hij heeft een kunstuitgeverij, werkt samen met interieurarchitecte Dorien Siebersma, ontwerpt openhaardschermen voor een grote Europese fabrikant.“Ik ben een kunstenaar die zelf z’n broek op moet houden. Dat is goed. Ik vind het belachelijk dat studenten van de kunstacademie startstipendia krijgen er er verder niks voor hoeven doen dan het op te maken. Het circuit, waarin galeriehouders ‘hanggeld’ vragen, ik kom er nietr. Het circuit is doordrenkt van commercie. Handel en kunst zijn in Nederland sterk met elkaar verbonden. Ik zeg principieel nee tegen deze gang van zaken. Ik kom steeds minder in galeries, er hangt in sommige wel werk van mij, maar ik word dan gevraagd. Ik moet het hebben van verzamelaars. Er zijn er niet veel, maar genoeg. En het circuit, ik zet mij er niet tegen af, ik loop er op een andere basis in mee. Ik werk er wel eens naast, bijvoorbeeld als ik zelf tentoonstellingen organiseer. Ik ben ook blij dat het er is. Het maak wat los, het geeft communicatie. Mensen kunnen het werk van kunstenaars met elkaar vergelijken en het positioneren.”
 
Ulenhof
Walther Smeitink-Mühlbacher (1963) ging na het Ulenhof College naar de Gelderse Leergangen in Nijmegen, afdeling handvaardigheid, kunstgeschiedenis en textiele werkvormen. Van 1985 tot 1993 was hij vakdocent op het Grafisch Lyceum te Utrecht. “Ik heb voor de lerarenopleiding en niet voor de Kunstacademie gekozen omdat ik de behoefte had het vak over te dragen. De structuur en inhoud van de opleiding sprak me aan. Op het Ulenhof College had ik een handvaardigheiddocent, de heer Stargardt, geen man van geblabla, hij heeft mij gestimuleerd.”
De lerarenopleiding bracht wat Walther ervan verwachte, “ik heb ervan genoten”, daarna heeft hij zijn kunstenaarsschap verder ontwikkeld. In 1993 gaf hij zijn baan in Utrecht op en besloot hij als kunstenaar zijn brood te verdienen.Omdat zijn moeder Oostenrijkse is kwam hij regelmatig in dat land. Hij ontmoette er Tsjechen, “en ben in Tsjechië blijven hangen”. Op een gegeven moment gaat het bruisen en moet ik zeggen dat ik me er thuis voel. De kunst is er meer geïntegreerd in het dagelijks leven. Hier zijn popmuziek, beeldende kunst en theater losse segmenten, daar zijn ze gewoon onderdeel van de samenleving.Kunst is daar niet belangrijker dan het werk van een bakker, een glaszetten of een slager. Dat vind ik zo goed in Tsjechië. En ik doe er ook niets meer of minder dan iedereen doet, namelijk mijn eigen talenten exploiteren en ontwikkelen. Verder zijn er zoveel redenen waarom ik het er goed vind. Dat is niet in een paar zinnen uit te leggen. Waarom ik er niet permanent woon? Ik ben getrouwd en mijn vrouw wil daar niet leven. Ik ga er regelmatig naar toe om te werken en om bij te tanken. Daarnaast voelt hij zich ook verbonden met Doetinchem. “mijn familie woont hier, ik word nostalgisch als ik hier langs café De Poort loop, de omgeving is mooi en de stad begint langzaam te leven. Die kroegen. Eindelijk kun je hier op straat een bietje drinken. Wat ze vroeger in de Themanstraat al deden en waar iederen wat van zei, zie je nu in de Grutstraat. Eindelijk wordt hier ook op straat geleefd.”
De tentoonstelling in het Stadsmuseum is een overzicht van tien jaar werk. Walther heeft hier bewust voor gekozen. Het is zijn eerste expositie in zijn geboorteplaats “zie het maar als een klein retrospectiefje.”


“Kunst en muziek gaan op drie plaatsen een verbintenis aan.” (1997)
Auteur: Uwe Worringer
Voor tijdschrift: Rheinische Post 30 Augustus 1997
 
Kempen. Werken en installatie van de Nederlandse kunstenaar Walther Smeitink-Mühlbachers en Alfred Hengeveld zijn vanaf morgen 15.00 uur in het Museum voor Nederrijnse Sacraalkunst in de Kempense Paterskerk, in het Ordenmuseum van de Abdij in Kamp-Lintfort en in het bedevaartshuis Petrus-Canisius-Haus in Kevelaer te zien met hun tentoonstellingsprojecten, die tot en met 19 oktober 1997 te zien is, willen ze contact leggen tussen deze drie plaatsen. Daarom stellen ze hun kunstwerken in deze totaal van elkaar verschillende plaatsen ten toon. Op hun zoektocht naar presentatiemogelijkheden in het Nederrijnse grensgebied kam de eerste harde toezeggingen uit Kempen. Museumdirecteur en hoofd van de culturele dienst Dr. Elisabeth Friese was direct enthousiast van deze twee kunstenaars, die zich persoonlijk met een grafiekmap en enkele schilderijen aan haar presenteerden.
Alfred Hengeveld, afgestudeerd aan de Kunstacademie in Arnhem (NL), houdt zich in zijn grafieken met het thema “Leven en Dood” bezig. Hij wordt en werd voornamelijk geïnspireerd door zijn vroegere en huidige ervaringen als verpleger van voormalige missiepaters.
Walther Smeitink-Mühlbacher, die in Nijmegen studeerde, heft naast zijn artistiek scheppende werk in zijn Tsjechische atelier ook nog meerdere jaren aan de Hogeschool voor grafische technieken in Utrecht gedoceerd.
Hun kunstwerken, welke zij speciaal maakten voor deze drie tentoonstellingslocaties, zullen en mogen is de ruimte niet direct opvallen cq domineren, maar zich als (onder)deel van de bestaande ruimte “gedragen”. “De door ons gekozen thematiek moet als het ware imploderen, zich naar binnen bewegen” benadrukte Smeitink-Mühlbachers gisteren nogmaals met klem is hun voornaamste voornemen. Hier ligt dan ook uitdrukkelijk onze gezamenlijke uitdaging.
 
‘Moderne Kunst en Religie’
Smeitink-Mühlbacher putte zijn reliëfmaterialen en vulmiddelen voor zijn materieschilderijen letterlijk uit der voorhanden zijde materie ter plekken: Kaarsenrot uit Kevelaer,bruinkool uit Kamp-Lintfort en oude vestingstenen (kloostermoppen) uit Kempen.
Ook zijn eerder gemaakte sculpturen, die diagonaal ten opzichte van het koorgestoelte in de Paterskerk opgesteld zijn zorgen voor de versterkingen van het totaalbeeld van deze sacrale kerkruimte. De Nederlandse interieurarchitect Dorien Siebersma heeft hem met raad en daad bijgestaan in dit concept. Het werk van Alfred Hengeveld loopt als een rode draad door alle tentoonstellingen heen:
 
Zijn etsen, tekeningen en schetsen als ook zijn drukplaten, verdeeld over de drie plaatsen,uit verschillende stadia van het creatieproces vormen deze rode draad.
Naast de tweedimensionaliteit van Hengeveld en de tweedriedimensionaliteit’ van  Smeitink-Mühlbacher, zoals laatstgenoemde het zelf benoemde, oefent ook een derde kunstenaar zijn invloed uit op het thema Kunst en Religie. De componist Pieter Rynja geeft het totaalbeeld en concept van deze tentoonstellingsreeks, door de verweving van muziek en klank, een verdere dimensie. Met moderne klanken, vergezeld van historische orgelmuziek, zet hij een accent, die hij elk ook speciaal voor de drie locaties componeerde.


“Raakvlak religie en kunst boeit mij” (1995)
Auteur: Assia Vermeulen
Voor dagblad: “Gelders Dagblad“ november 1995
 
Wageningen (NL) – De Nederlands-Oostenrijkse schilder/beeldhouwer Walther Smeitink-Mühlbacher (1963) exposeert met zijn meest recente materieschilderijen en objecten in het theatercafé “De Harlekijn” van schouwburg De Junushoff tijdens het Cultureel Café.
Daarna blijft zijn werk nog te bezichtigen tot 20 december. In maart volgt een overzichttentoonstelling van zijn werk in museum De Casteelse Poort. “Het feit dat ik twee culturen in mij draag is voor mij een heel belangrijk gegeven”, zegt Smeitink-Mühlbacher over zijn werk. “In Nederland moet ik bijna permanent uitleggen waar mijn werk over gaat, in Oostenrijk en in de voormalige Oostbloklanden zelden”.
“In Midden-Europa vind mijn werk qua inhoud, sfeer en techniek meer (h)erkenning”, vertelt Smeitink-Mühlbacher. “Hier speelt altijd die ‘waarom” vraag bij het werk van een kunstenaar. Het is vragen om iets van het ‘noodzakelijk’ geheim’, dat ieder mens in zich draagt, prijs te geven. Als ik iets over mijn ideeën zou willen vertellen was ik wel schrijver geworden. Ik schilder en beeldhouw niet voor niets! De volgens het christelijke westen “heidense’ Keltische en Germaanse invloeden die je in mijn werk veel terugvindt, vindt men daat een verrijking van de beeldende kunst. Daar worden verder geen vragen bij gesteld. De relatie tussen religie en kunst boeit mij heel sterk”, stelt Smeitink-Mühlbacher. “Religie is voor mij verbonden met zowel de aarde als de mens. Het is beslist iets anders dan godsdienst, die zich sterk richt op het instituur kerk. Mijn materieschilderijen werden vaak vergeleken met iconen, maar dan in een abstracte uitwerking.
Smeitink-Mühlbacher kiest aardetinten, goud, koper en zilver voor zijn materieschilderijen, die gevormd worden door pieken, dalen, glooiingen, golven en krassen in de materie. Hij schildert vele lagen over elkaar en gebruikt materies, acryl, olie en teperaverven. Vervolgens bewerkt hij ze met paletmessen, kwasten en handen. Zijn materieschilderijen zijn aan de achterzijde niet afgedekt en blijken als de zon erop valt opvallend transparant. Geometrische en/of symmetrische vormen verlenen het werk een ordening, net als regelmatig terugkerende inkepingen en getallen. De getallen drie, zeven, twaalf en veertig keren vaak terug in zijn werk. “Het zijn de getallen uit de mythen en sprookjes die mij mede inspireren”, licht Smeitink-Mühlbacher toe. “Net als de onderwerpen, de strijd tussen goed en kwaad, kennis en onwetendheid, man en vrouw”.
 
Kluizenaar
De materieschilderijen en objecten die Smeitink-Mühlbacher exposeert vertonen wat betreft de materiaalkeuze overeenkomsten. Hout koper, steen en gruis dat hij gebruikt voor zijn objecten komen o.a. uit de buurt van zijn atelier in Groesbeek vandaan of werden door hem meegenomen van de vele reizen die hij maakt naar o.a zijn tweede vaderland, dat voortdurend een inspiratiebron voor hem is. De objecten doen denken aan offerblokken waarop voorwerpen van hout en steen liggen. “Ja”, reageert Smeitink-Mühlbacher verrast; “zo zou je ze ook kunnen zien. Offeren is voor mij een vorm van helpen. Geen eigen belang hebben associeer ik met religie”. Als Smeitink-Mühlbacher zijn materiaal verzameld heeft sluit hij zich op ik zijn atelier en werkt met alles dat op dat moment voorhanden is. “Ik ben een beetje een kluizenaar”, licht hij toe. “Ik recycle alles. Ieder overblijfsel van een proces, ook het afval is bepalend voor het eindresultaat. Gruis en stof dat overblijft van het beeldhouwen meng is met mijn materies en verven. De voorkeur voor het aanbrengen van mijn ‘handschrift’, mijn textuur, mijn motoriek hangt samen met mijn voormalige werk als docent aan het Grafisch Lyceum te Utrecht en mijn belangstelling voor typo- en calligrafie. Maar nogmaals benadrukt hij: “mijn boodschap is niet letterlijk leesbaar. De beschouwer mag ‘lezen’ wat hij wil. Mijn werk signeer ik niet aan de voorzijde maar aan de achterzijde. Ik beschouw mijzelf als een soort van doorgeefluik van emoties en gevoelens.


“Kleurrijke plastieken” (1993)
Auteur: Johan Ardesch
Voor Dagblad: De Gelderlander 6 februari 1993
Galerie: De Trap Groenlo Nederland
 
Walther Smeitink-Műhlbacher is een kunstenaar, die zijn antecedenten niet prijsgeeft. Zijn voorliefde voor iconen is sterk in zijn doeken terug te vinden.
In deze tentoonstelling in Galerie De Trap zijn zowel zijn doeken, schilderijen en objecten te bewonderen. Bij ‘schilderijen’ moet niet directe worden gedacht aan ingelijste voorstellingen, klaar om aan de muur te hangen. Ze zijn gemaakt van canvas in wat de kunstenaar aangeeft als gemengde technieken. Hij brengt – en daarbij gebruikt hij natuurlijke vulmiddelen en kunststoffen – reliëfstructuren aan in alle mogelijke grillige vormen. Die geeft hij kleuren, die oneindig gevarieerd zijn. Soms doet hij één en ander binnen het kader van een op het doek zelf aangegeven ‘omlijsting’. Vandaar de benaming ‘schilderijen’. Want er hangen ook canvascreaties die meer de uitstraling hebben van monumentale gewaden of doek opgegraven textiel fragmenten. Wij zien onder de ‘schilderijen ’ook vierluiken en een enorm zevenluik. Aardkleuren, goud en zilvertinten komen regelmatig voor. Op één ervan staat in het centrum een goudkleurige driehoek en daar omheen bewegen zich allerlei geometrische vormen met bijzondere visuele effecten. Op het eerste gezicht lijkt er iets van Oosterse mystiek in te zitten. In elk geval is het zo, dat symboliek of mysterie dé overhand hebben. Alleen maakt de kunstenaar niet duidelijk wat hij daarmee wil zeggen. 
In een fotoalbum met eerder werk zien wij titels zoals: “Koyaaniquatsi VI en VIII” of “Rebaptized by Warreen”. Deze creaties duiden op de invloed van ‘hogere machten’. Alle tentoongestelde werken van Smeitink-Műhlbacher zijn echter titelloos. Van de objecten, overwegend uit hout, is er één gemonteerd op een brok van een oude zwarte verweerde grafsteen. Verder zijn er vier liggende houten objecten, deels goudkleurig, en er bevindt zich een tiental minisculpturen met zilverdraad omwonden op hardsteen sokkeltjes. Het heeft allemaal een zeer sterke mystieke uitstraling. Je moet er wel naar kijken en je blootstellen aan de invloed die ervan uitgaat. Op dan wordt het bezoek aan De Trap een pure schoonheidsbeleving!


“De huid als krijgt de allure van gegroefd perkament….” (1991)
 Auteurs: Marrit Verwiel en Martin Lacet
Voor Dagblad: De Graafschapbode 3 februari 1991
 
Wat een kunstenaar zelf denkt tijdens de creatie van zijn kunstwerk is niet zo wezenlijk als dat wat hij oproept bij de individuele beschouwer. Walther Smeitink-Műhlbacher, exposerend bij Galerie de Trap in Groenlo, weet in zijn schilderijen, doeken en objecten een heel scala aan emoties op te wekken door zijn barokke ornamentale expressies, uitgevoerd in ultramoderne technieken.
Zijn schilderijen hebben door hun reliëf, ritmische versieringen en het royale gebruik van zilver, goud en brons effecten een merkwaardig associatief karakter gekregen. Sommige langwerpige doeken met franjes doen denken aan weelderige vaandels, blazoenen en klaroenen. Andere rechthoekige en vierkante panelen lijken meer op gedenktekens, altaarstukken, gesteven Byzantijnse kerkgewaden of iconen. De ‘huid’ van deze schilderijen krijgt het allure van gegroefd perkament of leer, zoals de belegen omslagen van boeken of Bijbels. De gedempte bruinige of donkerblauwe tinten versterken deze haast schimmelige sfeer. Accoladen, arabesken, meanderende bewegingen, in blauw met zilver, in antraciet met goud, verwerkt in vierluiken of zevental haast identieke panelen, doorzeven dit beeld. De driehoek met zijn oer symboliek komt voortdurend terug.
Nieuw is dit alles niet. Hedendaagse kunstenaars putten steeds vaker en dieper uit oudheidkundige bronnen. Is het mode, deze nostalgie, of een keurmerk voor nieuwe wetenschappelijke gearriveerde kunst met een antropologisch tintje, of een gebrek aan eigentijdse cultuur of religie? Vergane oertekens in een nieuw jasje van gebonden materie, olie en acryl. Kunst en kitsch naderen elkaar hier heel dicht ………..?! Het oordeel blijft aan het publiek.

 
 
 
Back to content | Back to main menu